De vlieg vloog tegen de mug aan, midden in de lucht.
‘Ik was in gedachten verzonken…’ zei de vlieg en streek zijn vleugels recht.
‘Ik ook! Wat toevallig!’ zei de mug die een bult op zijn voorhoofd had. ‘In welke gedachten was jij verzonken?’
‘In mooie gedachten,’ zei de vlieg.
‘Ik ook! Wat leuk!’ zei de mug.
Zij gingen naast elkaar tegen een muurtje zitten, en de mug haalde een boek met gedachten te voorschijn en begon het voorzichtig door te bladeren.
‘Kijk,’ zei hij, halverwege het boek, ‘in díé gedachten verzink ik altijd.’
De vlieg bekeek die gedachten van boven naar beneden. Hij kende ze wel. Mooie gedachten waren het.
‘Sla eens om,’ zei hij.
De mug sloeg één bladzijde om.
‘Ja!’ zei de vlieg. ‘Die gedachten. Daar verzink ik altijd in.’ Hij wees een paar prachtige gekleurde gedachten aan en zoemde vergenoegd.
‘Ja,’ zei de mug, ‘dat zijn ook mooie gedachten. Dat vind ik ook.’
Zij kropen dicht tegen elkaar en keken verder in het boek.
‘Wat is dat voor gedachte?’ vroeg de vlieg en wees een dikke kronkelige gedachte aan.
‘Dat is een slechte gedachte,’ zei de mug. ‘Heb jij die nooit?’
‘Nee,’ zei de vlieg, aarzelend, ‘zo’n gedachte kan ik me niet herinneren.’
‘O,’ zei de mug. ‘Je wordt helemaal rood van binnen van die gedachte, als je hem lang genoeg hebt.’
‘Nee’, zei de vlieg toen. ‘Die gedachte heb ik nooit.’ Want hij was nog nooit van binnen rood geweest. Dat wist hij zeker.
Zo bladerden zij verder en zagen nog talloze gedachten. Diepe gedachten, zware gedachten, een paar zwarte gedachten – ‘dat zijn noodlottige gedachten,’ zei de mug die het boek goed kende – en ook luchtige, lichtblauwe en rare gedachten.
‘Ik wist niet dat er zoveel gedachten waren,’ zei de vlieg, toen de mug de laatste bladzijde omsloeg.
‘Ja,’ zei de mug. ‘En dit is nog maar deel één.’
Zij schudden hun hoofd, namen afscheid van elkaar en vlogen elk een andere kant op.
De avond viel, dunne witte nevels maakten zich los van de grond en begonnen rond te dwalen, tussen de bomen, alsof zij iets zochten. Het was midden in de zomer, midden in het bos.

 

Gedicht van Toon Tellegen, uit “misschien wisten zij alles”